Over het hoofd gezien - Doortje Kal
Eigen kracht is niet alleen beleid maar ook een beweging Artikel in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken zomer 2014, nr 2. Over het hoofd wordt gezien dat vermaatschappelijking en het verlangen naar belangstelling voor kracht en talent naast aandacht voor kwetsbaarheid, ook een beweging van onderop betreft..
Het gaat om het mogelijk maken van meedoen en erbij horen, om het geschikt maken van omgevingen om op (eigen) kracht te komen. Als de omgeving zich aanpast, op jou raakt afgesteld, doet de afwijking er minder toe; kan ze zelfs de omgeving ook voor anderen ten goede veranderen.
Terug naar publicaties
Geplaatst:
6 jul 2014
Geüpdate:
7 jul 2014
Categorie:
Kwartiermaken
Trefwoorden:
belonging , duyvendak , jacqueline kool , maatjesprojecten , martijn kole , participatiemaatschappij , tonkens , medicalisering
Gerelateerd:
Introductie in 'Meedoen gaat niet vanzelf. Kwartiermaken in theorie en praktijk', Kal, Post en Scholtens (red.), 2012
De paragrafen op een rij. De theorie: over vermaatschappelijking, erbij horen, kwartiermaken, strijdigheid, de structuur van kwartiermaken, een alternatieve praktijk en de rol van verhalen bij het werken aan inclusie.
De Praktijk, Eus de Wit aan het woord: over hulpbronnen, andersom leren denken, een levendige wijk, expansie - wat een wijk voor 'cliënten' kan betekenen.
Lees meer
Samenvattend hoofdstuk 8 van het proefschrift Kwartiermaken. Werken aan ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond.
Doortje Kal promoveerde aan de Universiteit voor Humanistiek bij prof. Harry Kunneman, prof. Guy Widdershoven en dr Victor Kal (copromotor).
In het proefschrift wordt de stelling verdedigd dat het streven naar integratie van mensen met een psychiatrische achtergrond de ontvangende samenleving confronteert met
een strijdigheid; er is sprake van frictie, van een ongemakkelijkheid, er is iets dat niet zomaar past. Deze strijdigheid vraagt van de samenleving met haar instituties en burgers om reflectie op het gangbare met het oog op toegang voor en tot de vreemde ander. Dat is de verstrekkende betekenis van de titel van dit afsluitende hoofdstuk: Waar het huis geen zorg krijgt, vindt de ontmoeting niet plaats. Het huis is hier metafoor voor de maatschappij met haar instellingen en bedrijven, buurten en netwerken, taal en cultuur, burgers en politici. Zonder
voorbereiding, oftewel zonder speciale inzet zal de ontmoeting met de ongewone ander op niets uit lopen. Een integratie zonder dat de ander ‘als ander’ kan verschijnen, dwingt de ander tot eenzijdige aanpassing, tot assimilatie, tot onderdrukkende gelijkwording. Als het proces van vermaatschappelijking de patiënt een ander perspectief wil bieden dan dat van standaardburger, zal de normaliteit waarin gekte tot uitsluiting leidt, niet kunnen blijven wat ze is.